Voorzieningenrechter Arnhem 30 september 2010 (Wapperverbod), LJN BN9748
Gedaagde wijst klanten van eiser op het feit dat hij (gedaagde) auteursrechthebbende zou zijn op software die eiser verkoopt, dreigt broncodes gratis ter beschikking te stellen aan derden, en doet negatieve uitlatingen over eiser op websites en via Twitter.
Alle vorderingen kunnen worden beoordeeld naar Nederlands recht:
onrechtmatige gedragingen op grond van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007, betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (‘Rome II’) omdat dat de gestelde schade zich (onder andere) in Nederland voordoet.
merkinbreuk omdat ingevolge artikel 8 Rome II de niet-contractuele verbintenis die voortvloeit uit een inbreuk op een intellectueel-eigendomsrecht, wordt beheerst door het recht van het land waarvoor de bescherming wordt gevorderd, in dit geval (onder andere) Nederland.
onrechtmatige uitlatingen omdat ingevolge artikel 3 van de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad verbintenissen uit onrechtmatige daad worden beheerst door het recht van de Staat op welks grondgebied de daad heeft plaatsgevonden. Aangenomen moet worden dat de gestelde onrechtmatige uitlatingen van gedaagde (onder andere) in Nederland zijn gedaan via www.[naam].com en twitter, alsmede in verschillende correspondentie, waaronder brieven aan klanten van eisers.
Nu gedaagde tot op heden geen enkele concrete onderbouwing heeft gegeven - en kennelijk vooralsnog ook niet wil geven - van zijn verweer dat hij auteursrechthebbende is met betrekking tot de eerdergenoemde werken, maar wèl klanten van eisers heeft aangeschreven met de mededeling dat zij, kort gezegd, gebruikmaken van illegale software van eisers, nu de auteursrechten van deze software niet bij eisers maar bij hem rusten, handelt gedaagde naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt en aldus onrechtmatig jegens eisers.
Weliswaar moet gedaagde onder omstandigheden op grond van het recht op vrijheid van meningsuiting zich - al dan niet via een website - in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken (waarover hierna meer), maar dit brengt nog niet met zich dat gedaagde een geldige reden heeft om dat te doen met gebruikmaking van een teken dat afbreuk doet aan de reputatie van het woordmerk van eisers. Het is vaste rechtspraak dat van een geldige reden eerst sprake is wanneer voor de gebruiker van het teken een zodanige noodzaak bestaat om juist dat teken te gebruiken, dat van hem in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij zich van dat gebruik onthoudt.
Voorshands kwalificeren al deze uitlatingen van gedaagde voornamelijk als waardeoordelen die als excessief kunnen worden aangemerkt, die evident als onnodig grievend en beschadigend voor eiser zijn te beschouwen en die voor het overige door geen enkele feitelijke onderbouwing worden ondersteund. Dit alles geldt te meer nu de website alsmede de berichten op de twitter-account van gedaagde zich richten tot een groot publiek.
Weliswaar is de website in Duitsland geregistreerd en aangemaakt en staat deze op naam van de in Duitsland woonachtige partner van gedaagde, maar op grond van artikel 4.6 lid 1 BVIE is de voorzieningenrechter bevoegd om van deze vordering kennis te nemen, in welk geval hij ook een grensoverschrijdend verbod kan geven. Daarbij is nog van belang dat de bewuste website door gebruikmaking van de Nederlandse taal nagenoeg uitsluitend is gericht op de Nederlandse markt.
In het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door gedaagde, heeft eisers onvoldoende aannemelijk gemaakt dat gedaagde achter deze website zit, dan wel dat hij op de daarop geplaatste berichten enige invloed kan uitoefenen.
Gedaagde wijst klanten van eiser op het feit dat hij (gedaagde) auteursrechthebbende zou zijn op software die eiser verkoopt, dreigt broncodes gratis ter beschikking te stellen aan derden, en doet negatieve uitlatingen over eiser op websites en via Twitter.
Alle vorderingen kunnen worden beoordeeld naar Nederlands recht:
Nu gedaagde tot op heden geen enkele concrete onderbouwing heeft gegeven - en kennelijk vooralsnog ook niet wil geven - van zijn verweer dat hij auteursrechthebbende is met betrekking tot de eerdergenoemde werken, maar wèl klanten van eisers heeft aangeschreven met de mededeling dat zij, kort gezegd, gebruikmaken van illegale software van eisers, nu de auteursrechten van deze software niet bij eisers maar bij hem rusten, handelt gedaagde naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt en aldus onrechtmatig jegens eisers.
Weliswaar moet gedaagde onder omstandigheden op grond van het recht op vrijheid van meningsuiting zich - al dan niet via een website - in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken (waarover hierna meer), maar dit brengt nog niet met zich dat gedaagde een geldige reden heeft om dat te doen met gebruikmaking van een teken dat afbreuk doet aan de reputatie van het woordmerk van eisers. Het is vaste rechtspraak dat van een geldige reden eerst sprake is wanneer voor de gebruiker van het teken een zodanige noodzaak bestaat om juist dat teken te gebruiken, dat van hem in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij zich van dat gebruik onthoudt.
Voorshands kwalificeren al deze uitlatingen van gedaagde voornamelijk als waardeoordelen die als excessief kunnen worden aangemerkt, die evident als onnodig grievend en beschadigend voor eiser zijn te beschouwen en die voor het overige door geen enkele feitelijke onderbouwing worden ondersteund. Dit alles geldt te meer nu de website alsmede de berichten op de twitter-account van gedaagde zich richten tot een groot publiek.
Weliswaar is de website in Duitsland geregistreerd en aangemaakt en staat deze op naam van de in Duitsland woonachtige partner van gedaagde, maar op grond van artikel 4.6 lid 1 BVIE is de voorzieningenrechter bevoegd om van deze vordering kennis te nemen, in welk geval hij ook een grensoverschrijdend verbod kan geven. Daarbij is nog van belang dat de bewuste website door gebruikmaking van de Nederlandse taal nagenoeg uitsluitend is gericht op de Nederlandse markt.
In het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door gedaagde, heeft eisers onvoldoende aannemelijk gemaakt dat gedaagde achter deze website zit, dan wel dat hij op de daarop geplaatste berichten enige invloed kan uitoefenen.